Openbaring 2:29 Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.
Op verzoek van lieve vrienden heb ik erin toegestemd een korte schets te geven van mijn bevindingen en gezichten, in de hoop dat de eenvoudige, gelovige kinderen des Heren er troost uit mogen putten en er door gesterkt zullen worden.
Toen ik elf jaar oud was, werd ik bekeerd en toen ik twaalf jaar was, werd ik gedoopt en werd lid van de Methodisten kerk.* Op dertienjarige leeftijd hoorde ik William Miller zijn tweede serie lezingen geven te Portland, Me. Toen besefte ik dat ik niet heilig was en niet bereid om Jezus te zien. En toen de uitnodiging werd gegeven aan leden van de kerk en aan zondaren om naar voren te komen en om gebed te vragen, nam ik de eerste gelegenheid te baat, want ik wist, dat er een groot werk aan mij gedaan moest worden teneinde mij geschikt te maken voor de hemel. Mijn ziel dorstte naar volle en vrije verlossing, maar wist niet, hoe die te verkrijgen.
Toen ik elf jaar oud was, werd ik bekeerd en toen ik twaalf jaar was, werd ik gedoopt en werd lid van de Methodisten kerk.* Op dertienjarige leeftijd hoorde ik William Miller zijn tweede serie lezingen geven te Portland, Me. Toen besefte ik dat ik niet heilig was en niet bereid om Jezus te zien. En toen de uitnodiging werd gegeven aan leden van de kerk en aan zondaren om naar voren te komen en om gebed te vragen, nam ik de eerste gelegenheid te baat, want ik wist, dat er een groot werk aan mij gedaan moest worden teneinde mij geschikt te maken voor de hemel. Mijn ziel dorstte naar volle en vrije verlossing, maar wist niet, hoe die te verkrijgen.
In het jaar 1842 woonde ik voortdurend de Adventvergaderingen te Portland, Me bij, en geloofde ten volle dat de Heer op het punt stond te komen. Ik hongerde en dorstte naar volle verlossing en naar volkomen gelijkvormigheid aan de wil van God. Dag en nacht worstelde ik om die onschatbare parel, die voor geen geld op aarde gekocht kan worden, te verkrijgen. Terwijl ik mij voor God neerboog en Hem smeekte mij die zegen te geven, werd mij de plicht voorgehouden naar een openbare bidstond te gaan en daar te bidden. Ik had nooit hardop gebeden in een vergadering en schrok terug voor die plicht, daar ik bang was in de war te raken, als ik zou trachten te bidden. Iedere keer dat ik mij alleen voor God neerboog om tot Hem te bidden, werd die onvervulde plicht mij voorgesteld, totdat ik ophield met bidden en in een staat van melancholie verviel en eindelijk geheel en al tot wanhoop oversloeg.
Drie weken lang verkeerde ik in die geestestoestand, zonder dat er ooit één straal van licht door de dikke wolken van duisternis rondom mij heen brak. Daarna had ik twee dromen, die mij een zwakke straal van licht en hoop verleenden (zie hoofdstuk 19). Als gevolg daarvan opende ik mijn hart voor mijn geliefde moeder. Zij zei mij, dat ik niet verloren was, en raadde mij aan met broeder Stockman te gaan spreken, die toen preekte voor degenen, die te Portland in de Adventboodschap geloofden. Ik stelde groot vertrouwen in hem, want hij was een toegewijde en geliefde dienstknecht van Christus. Zijn woorden maakten indruk op mij en leidden mij ertoe weer hoop te koesteren. Ik keerde naar huis terug, boog mij opnieuw neer voor de Heer en beloofde dat ik alles doen zou en gewillig was alles te verduren, indien Jezus slechts vriendelijk op mij neer wilde zien. Dezelfde plicht werd mij weer voorgehouden. Er zou die avond een bidstond gehouden worden, die ik bijwoonde en toen de anderen knielden om te bidden, knielde ik ook bevend neer. Nadat er twee of drie gebeden hadden, opende ik, voordat ik het wist, mijn mond om te bidden en schenen mij de beloften van God kostbare parels toe, waar men slechts naar behoefde te vragen om ze te verkrijgen. Terwijl ik bad, vielen de last en de zielsangst, die ik zolang gevoeld had, van mij weg en kwam de zegen Gods over mij als de verfrissende dauw. Ik loofde God voor hetgeen ik voelde, maar verlangde naar meer. Ik kon niet tevreden zijn, voordat ik vervuld was van de volheid Gods. Onuitsprekelijke liefde voor Jezus vervulde mijn ziel. De ene golf van heerlijkheid na de andere ging over mij heen, totdat mijn lichaam stijf werd. Alles was voor mij buitengesloten behalve Jezus en heerlijkheid en ik wist niets van hetgeen er rondom mij plaats had.
Ik verkeerde lange tijd in die toestand van lichaam en geest en toen ik tot het besef kwam van wat om mij heen was, scheen alles mij veranderd toe. Alles zag er heerlijk en nieuw uit, alsof alles glimlachte en God loofde. Toen was ik gewillig Jezus overal te belijden. Zes maanden lang kwam er geen wolkje van duisternis over mijn geest. Mijn ziel dronk dagelijks diepe teugen van verlossing in, Ik dacht dat zij, die Jezus liefhadden, Zijn komst zouden liefhebben en ging ik dus naar de bijeenkomst en vertelde hun wat Jezus voor mij gedaan had en welk een volheid ik genoot door te geloven, dat Jezus op het punt stond te komen. De voorganger van de klas viel mij in de rede en zei, “Door het Methodisme”; maar ik kon de eer niet aan het Methodisme geven, wanneer het Christus en de hoop op Zijn spoedige wederkomst waren, die mij vrijgemaakt hadden.
De meeste leden van mijn vaders familie geloofden vast in de wederkomst en waren overtuigd dat zij spreken moesten over deze heerlijke leerstelling. Zeven van ons werden op dezelfde tijd uit de Methodisten kerk gezet. Bij die gelegenheid waren de woorden van de profeet ons zeer dierbaar: “Uw broeders die u haten, die u verstoten om mijns naams wil, zeggen: Dat de Here zijn heerlijkheid tone, opdat wij uw vreugde aanschouwen. Maar zij zelf zullen beschaamd staan. Jes. 66:5.
Van die tijd af tot december 1844 waren mijn vreugde, beproevingen en teleurstellingen dezelfde als die van mijn lieve Adventvrienden rondom mij. In die tijd bezocht ik een van onze Adventzusters en hielden wij ‘s morgens huisgodsdienst. Het was geen gelegenheid waarbij iets dat opwindend was plaats had en er waren slechts vijf van ons tegenwoordig, allen vrouwen. Terwijl ik bad, kwam de kracht Gods over mij, gelijk ik dit nog nooit tevoren gevoeld had. Ik raakte weg in een gezicht van de heerlijkheid Gods; scheen hoger en hoger van de aarde op te stijgen en mij werd het een en ander getoond van de reis van de aanhangers van de Adventboodschap naar de heilige stad, gelijk hieronder beschreven staat.

Reacties
Een reactie posten